We weten het al jaren: lichaam en geest zijn met elkaar verbonden. Toch lijken we in Nederland nog steeds te doen alsof het twee verschillende werelden zijn.
De Amerikaanse ACE-studie (Adverse Childhood Experiences) liet al tientallen jaren geleden zien dat ingrijpende ervaringen in de kindertijd kunnen doorwerken in de gezondheid op latere leeftijd. Denk aan mishandeling, verwaarlozing, huiselijk geweld of seksueel misbruik.
De kennis is er dus al lang. En toch vraag ik me af: waarom zien we deze kennis nog zo weinig terug in onze gezondheidszorg?
Veel mensen die vroegkinderlijk trauma hebben meegemaakt, hebben jaren therapie achter de rug. Ze hebben gepraat, verwerkt en geleerd met hun verleden om te gaan. Op een gegeven moment denken ze: ik ben geheeld, ik wil dit achter me laten.
Maar trauma zit niet alleen in je herinneringen.
Het kan ook in je lichaam blijven doorwerken.
Jarenlang leven met trauma kan betekenen dat je lichaam voortdurend onder stress staat. Het zenuwstelsel blijft alert en krijgt onvoldoende gelegenheid om werkelijk tot rust te komen. Langdurige stress kan invloed hebben op slaap, hormoonhuishouding, immuunsysteem en andere lichamelijke processen. Het wordt in verband gebracht met een verhoogd risico op onder andere hart- en vaatziekten, diabetes en bepaalde vormen van kanker. Dat betekent niet dat trauma deze ziekten automatisch veroorzaakt, maar het is wel een factor die we serieus zouden moeten meenemen.
En dan kan iemand jaren later, soms pas na zijn dertigste of veertigste, uitvallen. Een burn-out, chronische vermoeidheid, slaapproblemen, angstklachten, pijn of andere lichamelijke klachten waarvoor niet altijd een duidelijke verklaring wordt gevonden.
Hoe vaak leggen we dan nog de verbinding met wat iemand vroeger heeft meegemaakt?
Tegelijkertijd zien we dat andere vormen van begeleiding waardevol kunnen zijn. Bij mensen met kanker blijkt bijvoorbeeld dat lotgenotencontact, lichaamsgericht werken en creatieve therapie kunnen helpen bij het omgaan met de enorme lichamelijke en emotionele impact van ziekte. Creatief werken geeft ruimte aan gevoelens waarvoor soms geen woorden zijn. Lichaamsgericht werken helpt mensen opnieuw contact te maken met hun lichaam en signalen te leren herkennen.
Niet als vervanging van medische zorg, maar als aanvulling daarop. En dan is er nog iets waar we bijna dagelijks over horen: onbegrepen gedrag. We spreken over mensen die “moeilijk gedrag” vertonen. Over agressie, terugtrekken, boosheid, paniek of gedrag dat we niet begrijpen.
Maar wat als we onszelf vaker de vraag stellen: Wat proberen we niet te begrijpen, omdat we alleen naar het gedrag kijken?
Ook trauma kan een onderliggende oorzaak of trigger zijn van gedrag dat voor anderen onbegrijpelijk lijkt. Iemand kan reageren vanuit een oud gevoel van onveiligheid, angst of dreiging, zonder zelf te begrijpen waarom. Dat maakt gedrag niet altijd acceptabel. Maar het kan het wél begrijpelijker maken.
Misschien moeten we daarom niet alleen vragen: Hoe krijgen we dit gedrag weg? Maar ook: Wat is er met deze persoon gebeurd? Wat probeert het gedrag ons te vertellen? En wat heeft deze mens nodig om zich weer veilig te voelen?
Waarom wachten tot iemand uitvalt? Waarom is mentale gezondheid nog steeds zo’n apart onderdeel van onze gezondheidszorg, terwijl we weten dat mentale en lichamelijke gezondheid elkaar voortdurend beïnvloeden?
Misschien moeten we minder kijken naar afzonderlijke klachten en meer naar de mens als geheel. Niet alleen vragen: Wat mankeert iemand? Maar ook: Wat heeft iemand meegemaakt? Wat draagt het lichaam mee? En wat heeft deze mens nodig om werkelijk te herstellen?
De kennis hebben we al tientallen jaren.
Nu nog de moed om ernaar te handelen.
